Blog · 18 augustus 2025 · Sven Dresen
Waarom meldbereidheid geen statistiek is
Een organisatie die serieus is over ongewenste omgangsvormen kijkt naar meldingsaantallen. Maar dat cijfer vertelt bijna nooit wat je denkt dat het vertelt.
Elke organisatie die ongewenste omgangsvormen serieus wil nemen kijkt naar meldingsaantallen als indicator. Maar dat cijfer vertelt bijna nooit wat je denkt dat het vertelt.
In de rapportages waar ik als externe vertrouwenspersoon aan meewerk komt deze vraag altijd terug: hoeveel meldingen hebben we dit jaar gehad, en is dat meer of minder dan vorig jaar. Meestal gevolgd door een interpretatie. Minder meldingen heet dan "het gaat goed". Meer meldingen heet "zorgelijk". Ik denk dat beide interpretaties vaak fout zijn.
Wat meldingsaantallen eigenlijk meten
Een meldingsaantal meet niet de aanwezigheid van ongewenste omgangsvormen. Het meet de combinatie van drie dingen: hoeveel voorvallen er zijn, hoeveel mensen zich veilig voelen om te melden, en hoe hoog hun drempel ligt voor wat überhaupt meldwaardig is.
Die drie variabelen bewegen los van elkaar. Een cultuur die dichtgaat heeft minder meldingen. Een cultuur die opengaat heeft meer meldingen. In allebei de gevallen kan de werkelijkheid precies andersom zijn dan het cijfer suggereert.
Drie scenario's die hetzelfde cijfer opleveren
Stel een organisatie registreert vijf meldingen in een jaar. Dat getal kan betekenen:
Scenario A. Er gebeurt weinig grensoverschrijdends en het systeem werkt zoals het hoort.
Scenario B. Er gebeurt veel grensoverschrijdends, maar mensen vertrouwen het meldpunt niet en slikken het in. De vijf zijn de moedigen of de wanhopigen.
Scenario C. Er gebeurt ongeveer hetzelfde als vorig jaar, maar de norm voor wat meldwaardig is, is verschoven. Collega's herkennen nu ook subtielere patronen als grensoverschrijdend en komen ermee.
Elk scenario vraagt om een andere reactie van de directie. Elk scenario levert hetzelfde cijfer op.
Wat wel iets zegt
Kijk niet naar het aantal meldingen. Kijk naar deze drie dingen:
Eerst: waar komen meldingen vandaan. Als alle meldingen uit één afdeling komen, weet je meer dan het totaal kan vertellen. Als meldingen uit afdelingen komen die jaren stil waren, is er iets fundamenteel veranderd.
Tweede: wat er in de pre-melding fase gebeurt. Hoeveel mensen hebben een oriënterend gesprek met de vertrouwenspersoon zonder een formele melding te doen. Dat is vaak vijf tot tien keer het aantal formele meldingen. Die schaduwstatistiek is de echte indicator.
Derde: wat medewerkers zeggen in anonieme cultuurmetingen. "Ik durf hier veilig te melden" als stelling meet iets anders dan het feitelijke gedrag. Zeker als beide uitkomsten afwijken, weet je dat iemand zichzelf iets wijsmaakt.
Wat ik aan besturen rapporteer
Ik rapporteer zelden "het aantal". Ik rapporteer patronen die ik zie, vragen die niet in mijn voorkomen hebben geleid tot iets formeels, en mijn inschatting van de drempel. Dat laatste is subjectief. Maar het is vaak het enige echte signaal.
Een organisatie die vraagt om harde cijfers begrijpt de functie van een vertrouwenspersoon vaak nog niet helemaal. Dat is geen verwijt, het is een invitatie om het gesprek anders te voeren.
Wat je zelf kan doen als lezer
Als je een bestuur adviseert dat vraagt naar "hoe staan we ervoor": vertel over drempel, niet over telling. Vertel wat medewerkers níet vertellen. Laat zien dat een laag cijfer net zo zorgwekkend kan zijn als een hoog cijfer.
Als je zelf iets wil melden en twijfelt: die twijfel is zelf informatie. Een systeem dat je zoveel laat aarzelen is een systeem dat nog werk nodig heeft. Het ligt niet aan jou.